Uitgave ter ere van het 5-jarig bestaan van het Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg in 2007

Gerelateerd

Essay Margriet Meindertsma 'Mijn tante Truus'

Uit de KCWZ-jubileumreeks 'Vijf jaar innovatie in wonen en zorg'. Over tante Truus, die misschien toch wel liever op haar kleine kamer in het verzorgingshuis woont, dan alleen in haar grote huis. En over andere aannames van zorgverleners, die vrijwel nooit naar haar mening vragen.

Download essay Margriet Meindertsma uit jubileumboek KCWZ (pdf, 81,3 kB)


Margriet MeindertsmaMargriet Meindertsma, Eerste Kamerlid voor de PvdA en voorzitter van de vaste commissie voor VROM/WWI

Tante Truus is een niet onbemiddelde weduwe zonder kinderen. Haar hele leven heeft in dienst gestaan van haar man, die een vooraanstaande publieke functie vervulde. Het niet hebben van kinderen was geen eigen keuze en zorgde voor veel verdriet. Hierdoor waren man en vrouw nog meer op elkaar aangewezen. Tante Truus en haar man waren goed voorbereid op hun oude dag. Zo zijn ze tijdig van een woning in het buitengebied verhuisd naar een gelijkvloers appartement in een qua omvang bescheiden nieuw complex in een kleine stad, met talloze voorzieningen in de directe omgeving.

Het overlijden van haar man betekent voor tante Truus het einde van haar betrekkelijk gelukkige en geregelde leven. Het leven heeft voor haar weinig zin meer en ze hoopt dan ook dat het niet al te lang meer zal duren. De eerste jaren na het overlijden van haar man gaat tante Truus nog regelmatig op bezoek bij familie en vrienden. Maar langzamerhand ontvalt de één na de ander haar en ontdekt ze bovendien dat alléén ergens naartoe gaan toch anders is dan met z'n tweeën eropuit gaan. Haar wereld wordt steeds kleiner en ook haar gezondheid gaat er niet op vooruit. Ze telefoneert nog wel met sommige neven en nichten, maar ook dat wordt steeds minder. Bezoek krijgt ze niet veel. Omdat tante Truus slecht hoort - ze heeft wat ze zelf noemt ruis in haar hoofd - begeeft ze zich niet graag in een groter gezelschap.

Op een nacht krijgt ze het vreselijk benauwd en denkt ze door een hartaanval te zijn getroffen. Alhoewel ze in paniek raakt, belt ze pas de volgende ochtend de dokter. Die zorgt snel voor een ambulance naar het ziekenhuis. Diagnose: hart, longen of allebei, dat is niet meteen duidelijk. Wel duidelijk is dat tante Truus erg ziek is en ze bereidt zich er ogenschijnlijk op voor om te gaan sterven. Neven en nichten komen snel langs, omdat ze gehoord hebben dat er afscheid moet worden genomen. Maar, oh wonder, tante Truus knapt weer op. Mogelijk tegen haar zin, maar dat wordt niet met zoveel woorden gezegd. Wat nu? In het ziekenhuis kan ze niet blijven en naar haar appartement wil ze absoluut niet terug. Besloten wordt dat ze tijdelijk naar een verzorgingshuis gaat. Helaas is er uitsluitend plek in een verouderd verzorgingshuis ergens in de provincie.

Zonder klagen vertrekt Tante Truus van haar smaakvol ingerichte appartement van 100 m2 via een ziekenhuisbed in een vierpersoonskamer naar een afzichtelijk gestoffeerd en slecht gemeubileerd kamertje van 4 bij 4, met extra keukennis en een zodanig klein toilet met douchecel dat ze er niet met begeleiding of hulpmiddelen in kan komen. Maar dat hoeft ook niet, want tante Truus loopt weer zonder hulp én ze is een kleine en tengere vrouw. Door een neef en nicht wordt een deel van het instellingsmeubilair vervangen door haar eigen stoel en tafel en worden wat foto's en een dierbaar schilderij opgehangen. Veel meer wordt er niet aan het kamertje gedaan, het is immers een tijdelijk verblijf.

Maar wat gebeurt er met tante Truus na dit verblijf? Ze wil voor geen goud terug naar haar appartement, hoewel ze dat wel zou kunnen met thuiszorg en aanvullende verzorging. Ze gaat echter onder geen beding terug naar haar mooie en eens zo dierbare appartement, bang als ze is voor een herhaling van wat haar die vreselijke nacht is overkomen. Als alternatief lijkt een appartement in een serviceflat in hetzelfde stadje de oplossing te zijn. Maar daar moet op een plek gewacht worden; voor de door tante Truus gewenste verdieping met het fraaie uitzicht bestaat veel belangstelling. Vreemd genoeg kan het huis niet aangeven hoe lang de wachtlijst is. Intussen verblijft tante Truus alweer negen maanden tijdelijk in haar onooglijke kamertje, maar ze klaagt nooit. Integendeel, ze is zeer te spreken over de verzorging en de activiteiten die worden georganiseerd. Met lotgenoten drinkt ze koffie op de gang en af en toe gaat ze naar de recreatiezaal. Ze heeft zelfs voor het eerst in haar leven bingo gespeeld. Activiteiten waar ze vroeger haar neus voor zou hebben opgehaald. Ieder gesprek over verruiming van de keuzemogelijkheden voor andere huisvesting lijdt schipbreuk.

De veronderstelling

Ik vermoed dat tante Truus zich veilig en geborgen voelt in het huis waar ze nu zit. Iets waar ze niet echt voor wil uitkomen en wat ze ook niet goed durft uit te leggen. Ze krijgt volop aandacht en ze hoeft maar op de bel te drukken of er staat iemand voor haar klaar. Ze krijgt haar natje en droogje en is nooit alleen, zoals ze dat in haar prachtige appartement vol herinneringen wel was. De kapper komt aan huis en kleine boodschappen zijn twee keer per week te verkrijgen. De neven en de nichten die in het begin wekelijks, maar nu veel minder frequent naar deze uithoek van het land komen, nemen tante Truus zo nu en dan een dagje mee uit; en dat is waarschijnlijk meer dan het af en toe koffie drinken van de jaren ervoor.

De neef en nicht die het meest langs komen, zijn van mening dat het serviceappartement toch echt de beste oplossing is en dat haar kleine kamertje toch wel erg behelpen is. Tante Truus is het ermee eens. Toch blijft ze zitten waar ze zit, er is immers nog geen zicht op een plek in het serviceappartementencomplex. Intussen blijft het kamertje eruit zien als een tijdelijk verblijf en wie zal zeggen of het dat ook niet is? Tijdelijkheid heeft op hoge leeftijd immers een andere betekenis.

De moraal van het verhaal

Het zou wel eens kunnen dat in de discussies over wonen en zorg:

  • te zeer de nadruk wordt gelegd op het faciliteren van ouderen op hoge leeftijd die in hun eigen woonomgeving zonodig zelfstandig moeten willen blijven wonen;
  • te veel de nadruk wordt gelegd op de fysieke zorgbehoefte en er te weinig oog is voor de welzijnsvraag, voor de eenzaamheid en gevoel van onveiligheid waarmee de ouderdom en verminderde fysieke mogelijkheden gepaard kunnen gaan;
  • de welzijnsbehoeften van zorgbehoeftige mensen, of ze nu oud zijn of niet, zwaar onderschat worden en in het geweld rond decentralisatie en het vermarkten van zorg (Wmo) en ten gevolge van bezuinigingen binnen de AWBZ (op grond van grotere vraag) hopeloos verloren dreigen te gaan;
  • het welzijn van zorgafhankelijke mensen wel eens meer gebaat zou kunnen zijn bij kleinschaligheid en betrokkenheid van niet alleen uitvoerende professionals, maar ook van managers en directeuren van de steeds groter wordende instellingen;
  • het begrip welzijn herontdekt en van eigentijdse invulling voorzien moet worden;
  • onderzoeksvragen naar de woon-zorg behoefte beantwoord worden door mensen op het moment dat de urgentie niet zo hoog is en de antwoorden daarom afwijken van de antwoorden op het moment dat de urgentie wel aanwezig is;
  • verhalen van mensen evenveel zeggen als een boek over innovatieve projecten. Beide zijn nodig, laten we het daar maar op houden. Daarom dit keer een verhaal over tante Truus in plaats van een beschouwing over een interessant project...

01-09-2007