
Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) heeft een onderzoeksrapport uitgebracht over de verzorging van ouderen in negen Europese landen. De centrale vraag in het rapport 'Verschillen in verzorging' is: hoe lossen ouderen in verschillende landen hun gezondheidsbeperkingen op?
Duitsland, Denemarken, Frankrijk, Griekenland, Italië, Nederland, Oostenrijk, Spanje en Zweden zijn in de vergelijking betrokken. Het SCP heeft gebruik gemaakt van gegevens uit het Survey of Health, Ageing and Retirement in Europe (SHARE). Het SCP verdeelt de landen in drie categorieën: Scandinavische groep (Denemarken, Nederland en Zweden), continentale groep (Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk) en de mediterrane groep (Griekenland, Italië, Spanje).
In het algemeen geldt dat er in de onderzochte landen verschillend wordt omgegaan met de ondersteuning en zorg voor mensen met beperkingen. Grofweg gezegd legt de Scandinavische groep de zorgplicht met name bij de overheid, de mediterrane landen leggen de zorgplicht eerder bij de familie en de landen uit de continentale groep zitten hier tussenin. Nederland valt onder de Scandinavische groep maar is door de recente introductie van de 'gebruikelijke zorg' meer opgeschoven naar het continentale type. Immers, door de 'gebruikelijke zorg' dienen gezinsleden meer voor elkaar te zorgen, vooral als het gaat om huishoudelijke taken.
Ongeveer eenderde van de 50-plussers in de onderzochte landen ondervindt een beperking op het lichamelijke, psychische of cognitieve vlak. In Nederland hebben ongeveer 400.000 mensen te maken met beperkingen die het dagelijks functioneren belemmeren. In de mediterrane landen zijn er relatief veel mensen van 50 jaar en ouder met beperkingen. In de Scandinavische landen zijn dat er relatief weinig. Ongeveer 40% ervaart hinder van de beperkingen. In de mediterrane landen ligt dit percentage lager. Kennelijk hebben zij in de dagelijkse praktijk minder last van hun beperkingen dan hun noordelijke buren.
Gemiddeld heeft 75% van de mensen met beperkingen in Europa een informeel netwerk (gezins- en familieleden). Buren en kennissen vallen niet onder dit netwerk, maar kunnen wel informele hulp verlenen. De mensen in de zuidelijke landen beschikken over een groter netwerk van binnen en buiten het huishouden en de noorderlingen beschikken over een klein netwerk. Hierbij vormen de Grieken binnen de zuidelijke landen een uitzondering, omdat zij een relatief klein netwerk hebben. Nederlanders hebben binnen de noordelijke groep een relatief groot netwerk.
Maar niet alle mensen uit dit informele netwerk zullen daadwerkelijk hulp bieden. Sommigen hebben zelf beperkingen, anderen hebben een volledige baan. Ongeveer 45% van de personen met beperkingen ontvangt informele zorg. Italië en Spanje hebben vooral een groot familienetwerk, omdat kinderen langer bij hun ouders wonen, soms veroorzaakt door krapte op de woningmarkt. Nederland heeft een hoog aantal deeltijdwerkers, waardoor mensen uit het informele netwerk relatief vaak in staat zijn om een handje te helpen. In het algemeen geldt dat als er informele hulp beschikbaar is, dit niet automatisch leidt tot echt gebruik van deze hulp. Nederland illustreert dit: er is relatief veel informele hulp beschikbaar, maar mensen ontvangen toch veel formele hulp. Nederland scoort laag bij het gebruik van informele zorg in vergelijking tot de andere landen. Ook is de informele zorg in Nederland en de andere noordelijke landen minder intensief dan in de zuidelijke landen, waar familie dagelijks of wekelijks hulp bieden.
De meeste mensen met beperkingen in Denemarken, Zweden en Oostenrijk zijn het beste af, omdat zij de meeste zorg ontvangen. In Denemarken krijgen de mensen voornamelijk formele zorg, dat ook nog van een hoog niveau is. In Zweden en Oostenrijk ontvangen de mensen veel formele zorg, maar ook veel informele zorg. Nederlanders ontvangen een hoog niveau van zorg en een gematigd niveau van informele zorg. Mensen in mediterrane landen komen er het slechtste van af wat betreft het krijgen van zorg: veel mensen met beperkingen die zorg nodig hebben ontvangen geen enkele vorm van zorg. De zuiderlingen die wel zorg ontvangen, krijgen vooral informele zorg. In alle onderzochte landen geldt de regel dat indien er een informeel netwerk is, er minder formele hulp wordt verleend.
In de mediterrane landen staat het familiale model onder druk. Dit komt onder andere door de afname van het aantal gezinnen met kinderen, doordat er minder kinderen per gezin zijn, de toename van het aantal werkende vrouwen en de grotere fysieke afstand tussen ouders en kinderen. Hierdoor worden in deze landen steeds vaker migranten uit Oost-Europa en niet-Europese landen ingehuurd. Zij voorzien in een grote behoefte en de kosten zijn laag. Zorgelijk hierbij is de positie van deze groep en de duurzaamheid van het migratiemodel.
Van alle mensen met matige en ernstige beperkingen ontvangt een derde geen hulp, noch van informele, noch van formele aard. Nederland neemt hierbij een gemiddelde positie in. 33% van de ouderen met beperkingen krijgt in Nederland geen hulp. Alleen in Italië, Griekenland en Spanje is dit percentage nog hoger. Nederland heeft weliswaar het hoogste percentage ouderen dat formele zorg ontvangt, maar de informele zorg blijft relatief achter. Dit komt vooral omdat het aanbod van zorg groot is in ons land. Nederlanders vinden vooralsnog dat zorg vooral een taak van de overheid is.
Maar in Nederland doet zich momenteel een verschuiving voor van een meer voorzienende overheid (eerst de overheid, tenzij de familie voor de mensen met beperkingen kunnen zorgen) naar een meer ondersteunende overheid (eerst de familie, tenzij dit niet mogelijk is). Tegelijkertijd vinden er drie tendensen plaats die wellicht meer passen bij een voorzienende overheid. Zo is er de tendens dat mensen steeds meer op vrienden en buren leunen in plaats van op familie. Ook willen mensen steeds vaker en langer zelfstandig en onafhankelijk zijn. Verder moeten zij steeds vaker eigen bijdragen betalen voor voorzieningen die buiten de zorg vallen, zoals woon-en vervoersvoorzieningen. Het SCP stelt aan het einde van het rapport dan ook de kritische vraag of mensen met beperkingen, met het oog op de genoemde tendensen, gebaat zijn bij de verschuiving naar een ondersteunende overheid.
17-04-2007