Juridische aspecten van klantenbinding bij scheiden van wonen en zorg

Verslag inleiding Project!mpulsbijeenkomsten november 2006

In voorgaande bijeenkomsten Project!mpuls is al eerder aandacht besteed aan het koppelen van huur- en zorgcontract, zie verslag voorjaar 2006. Vanwege de grote belangstelling is dit onderwerp nogmaals geagendeerd.

Eric Janssen van Dirkzwager advocaten en notarissen in Nijmegen was betrokken bij het verweer in de zaak tussen Thuiszorg Maasmond en Woningstichting Geertruidenberg. Het gerechtshof 's Hertogenbosch oordeelde in hoger beroep de afspraken die Woningstichting Geertruidenberg heeft gemaakt met één zorgaanbieder over de levering van zorg in het woonzorgcomplex, niet in strijd met de mededingingswet. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft Janssen een stroomschema ontwikkeld dat zorgorganisaties en corporaties behulpzaam kan zijn bij het vormgeven van hun samenwerkingsrelaties rond wonen en zorg, zodanig dat deze niet strijdig zijn met de mededingingswet. Dit stroomschema is doorgesproken met de Nederlandse Medingingsautoriteit (NMa).

Mededingingswet

Eric Janssen start zijn verhaal met uitleg over de mededingingswet. De mededingingswet beschermt niet de concurrent maar de concurrentie. Het is van belang dat er voldoende concurrentie is op de markt. Zorgorganisatie en woningcorporaties zijn ondernemingen in de zin van de wet en vallen dus onder mededingingswet. In hun handelen zullen ze dus rekening moeten houden met de wet. Beperking van de mededinging is in principe niet gewenst maar kan soms toelaatbaar zijn, mits er voldoende restconcurrentie overblijft. 

Het stroomschema Samenwerkingsvarianten Woonzorgcomplexen onderscheidt twee varianten. In variant A huurt de zorgaanbieder de woningen van de woningcorporatie en biedt de bewoners één gecombineerde huur-/zorgovereenkomst aan. In variant B huurt de bewoner van de corporatie en neemt de bewoner zorg af van de zorgaanbieder. In variant A heeft de bewoner feitelijk te maken met één partij: de zorgaanbieder. Deze variant moet getoetst worden aan het verbod misbruik te maken van een machtspositie (artikel 24 van de mededingingswet). In variant B is sprake van samenwerking tussen twee organisaties. Deze variant moet getoetst worden aan het kartelverbod (artikel 6 van de mededingingswet).

Relevante markt

Markt en marktaandeel zijn centrale begrippen in de mededingingswet. Begrippen die bij zorgorganisaties en woningcorporaties vaak niet zo helder in beeld zijn, blijkt uit de reacties in de zaal. Is de markt van de zorg één markt of is er sprake van deelmarkten? In de Maasmondzaak oordeelde de rechter dat de relevante productmarkt bestond uit de markt voor woonzorgcomplexen voor ouderen en de relevante geografische markt uit de gemeente waarin het woonzorgcomplex is gevestigd. Eric Janssen is van mening dat je ook het ruimere aanbod van woningen waarbij verzorgd wonen mogelijk is als markt zou kunnen benoemen en dat de geografische markt wel eens groter kan zijn dan de gemeente als je kijkt naar de reisbereidheid van klanten.

De omschrijving van de markt is van belang om dat in de mededingingswet het hebben van een machtspositie op de markt een aantal beperkingen met zich mee brengt in de afspraken die gemaakt kunnen worden tussen partijen. Het enthousiasme waarmee partijen in hun jaarverslag vermelden dat ze de grootste marktpartij zijn, is vanuit de mededingingwetgeving dus niet altijd zo handig.

Ook een zorgloket kan concurrentie beperkend zijn

In eerste instantie leek het in de Maasmond-zaak te gaan over het koppelen van huurcontract en zorgcontract. Bij een nadere beschouwing bleek die koppeling niet contractueel vastgelegd te zijn maar was er sprake van bemiddeling van de zorgvragen in het complex door één zorgaanbieder. Bewoners konden bij het zorgloket van die zorgaanbieder terecht om de zorg te laten regelen. De rechter oordeelde dat ouderen geneigd zullen zijn dat advies te volgen, gezagsgetrouw als ze zijn. Daardoor kan ook een zorgloket aangemerkt worden als concurrentiebeperkend. Hetzelfde geldt als de woningcorporatie een zorgaanbieder aanprijst als 'preferred provider'.

Uitspraak Maasmond-zaak

In het geval van de Maasmond-zaak was het Hof van mening dat het betreffende woonzorgcomplex een zo klein onderdeel uitmaakt van de relevante geografische- en productmarkt dat er geen sprake is van een merkbare beperking van de concurrentie.

Daar bovenop concludeerde het Hof, dat zelfs al zou er wel sprake zijn geweest van een merkbare beperking van de concurrentie, er toch geen inbreuk was op de Mededingingswet. In dit geval was er namelijk sprake van een duidelijk consumentenvoordeel, was het product niet tot stand gekomen zonder koppeling, bleef er voldoende restconcurrentie over en was de beperking proportioneel. Dat maakt dat partijen een geslaagd beroep hadden kunnen doen op een uitzonderingsgrond uit de Mededingingswet. Volgens Eric Janssen was zelfs het enkele feit dat het woonzorgcomplex niet tot stand zou zijn komen zonder deze beperking van de concurrentie, al voldoende grond om de gekozen constructie toe te staan.

Conclusie

Veel jurisprudentie is er nog niet op het gebied van het koppelen van wonen en zorg. De uitspraak in de Maasmond-zaak is tot nu toe de enige. Van belang is een goede argumentatie voor de noodzaak van de koppeling van wonen en zorg. En een blijvende alertheid op dit aspect van de samenwerking. Door fusies aan woon- of zorgkant kunnen marktposities aanzienlijk veranderen. Het stroomschema van Dirkzwager biedt een leidraad om systematisch een aantal aspecten na te lopen.

Download de publicatie 'Woonzorgcomplexen' van Eric Janssen en Frank Delissen met daarin het stroomschema (pdf, 243 kb)

Download de presentatie van Eric Janssen, Dirkzwager (pdf, 692 kb)

07-12-2006